Drie geloften
De OBP stelt dat je niemand iets kunt beloven, behalve jezelf. De drie geloften gelden daarom als beloften aan jezelf, en niet aan iets of iemand buiten jezelf, zelfs al spreek je ze uit naar alles en iedereen of zelfs naar God, Allah of welke Oppermacht dan ook. Men kan je aan je geloften willen houden en sancties aan je opleggen als je ze verbreekt, maar uiteindelijk ben je het altijd zelf die als eerste en enige de last draagt van gebroken geloften. Daarom, beloof nooit iets wat je mogelijkerwijze niet waar kunt maken.
Drie Geloften
voorstellen tot aanscherping van de teksten zijn welkom
De gelofte van gehoorzaamheid
Ik beloof gehoorzaam te zijn aan De Regel en daarop aanspreekbaar te zijn, in die zin dat ik mijn uiterste best zal doen om altijd, overal en onder alle omstandigheden te handelen (en dus ook te spreken) naar de geest van De Regel.
Toelichting
Voor de OBP is De Regel in alles en voor iedereen leidend. De noodzaak daar gehoorzaam aan te moeten zijn, mag geen nieuws zijn. Het gaat alleen niet om de letterlijke betekenis van De Regel. Het gaat om de geest ervan. Letterlijke betekenissen van welke wet, regel, richtlijn of wat ook kunnen in de loop van de tijd veranderen doordat betekenissen van woorden veranderen. Het idee achter De Regel verandert echter niet. Vandaar dat het hier over de 'geest van' gaat.
Bovendien staat er 'dat ik mijn uiterste best zal doen'. Dat houdt in dat er rekening wordt gehouden met de feilbaarheid van de mens. Het gaat in het leven niet altijd precies zoals gewenst, gewild, beoogt of wat ook. Het loopt soms anders. Wanneer je je uiterste best hebt gedaan, en de resultaten van jouw doen en laten zijn onverwacht, ongehoopt en ongewild anders dan de bedoeling waren, is er geen gelofte gebroken.
De gelofte van armoede
Ik beloof niets in bezit te hebben, te houden of mij toe te eigenen dat mij rechtens niet toebehoort en/of toekomt en/of niet noodzakelijk is voor een modaal bestaan in de maatschappij waar ik deel van uitmaak.
Toelichting
Het gaat hier feitelijk om 'wat wil ik hebben en wat heb ik nodig.' In de moderne tijd leven we niet in grotten, en het is ook niet 'modaal' om onder een brug, in een krot of onder andere mensonterende omstandigheden te leven. De gelofte van armoede is geen gelofte van 'gebrekkig willen zijn'. De gelofte houdt in dat je er bewust voor kiest om niet afhankelijk te zijn van materiële zaken (in ieder geval niet meer dan noodzakelijk om een modaal leven te leiden) of van sociale erkenning (in ieder geval niet naar zoveel mogelijk 'likes', 'vinkjes', eerbewijzen, loftuitingen, prijzen, en wat al dies meer zij.)
Je toont en jouw wijze van leven solidariteit met mensen die in echte materiële en/of sociale armoede leven en je streeft naar een leven in vrijheid van bezit, in verbondenheid met alles en iedereen. Geen 'ikke, ikke, ikke'!
De gelofte van kuisheid (gelofte andermans grenzen niet te overschrijden)
Ik beloof noch expliciet aangegeven noch impliciet aangegeven en door mij redelijkerwijze te kennen grenzen op seksueel of erotisch gebied - van wie dan - ook te overschrijden.
Toelichting
Vroeger had niemand het over grensoverschrijdend gedrag. Men beperkte de gelofte tot seks. Tegenwoordig kun je 'kuisheid' gerust ruiker opvatten en lezen als 'geen gedrag vertonen waarmee je grenzen overschrijdt'. Hierbij gaat het evenwel niet zozeer om jouw eigen grenzen, dan wel om de grenzen van anderen. Wanneer je jouw eigen grenzen wilt verleggen, kun je die alleen ruimer maken door de oude te overschrijden. Grensoverschrijdend gedrag voor eigen grenzen? Ga je gang. Maar over de grenzen van iemand anders gaan? Dat is niet de bedoeling. Nee dus. Niet doen. Nooit. Het gaat daarbij over allerlei grenzen, of die nou duidelijk zijn aangegeven of alleen maar zijn te vermoeden. Expliciete grenzen zijn duidelijk. Impliciet grenzen zijn dat vaak niet. Ze zijn evenwel te kennen dan wel af te leiden uit gewoonten en gebruiken, richtlijnen, sociale waarden en normen van de gemeenschap waar je je in bevindt en ga zo maar door. Over impliciete grenzen kan men zeggen: je kunt ze kennen, tenzij je onder een steen leeft, je kop in het zand steekt of je nergens wat van aantrekt. Kortom: je gaat gemakkelijk een impliciete grens over wanneer je alleen maar aan jezelf denkt en niet aan die ander!